BOOTVISSEN

Ga terug onze vissers


Vlokvissen op grote ruisvoorn vanuit de boot

Kapitale ruisvoorns spreken tot de verbeelding, maar makkelijk vangbaar zijn ze niet. Specialisten Henk van Berkel en Wim Schut weten precies hoe je deze goudgele krachtpatsers vangt. Vanuit de boot zoeken zij ondiep water, lelievelden en andere kansrijke plekken af met ultralichte hengels, forse broodvlokken en eenvoudige dobbers.



Grote ruisvoorns vangen begint volgens Henk en Wim met het kennen van de juiste plekken. Vanuit een boot bereiken ze stekken die vanaf de kant nauwelijks te bevissen zijn. Vooral de buitenranden van brede lelievelden zijn interessant. Daar zoeken de vissen onder de bladeren beschutting en komen ze langs de randen tevoorschijn om voedsel te zoeken.

Het juiste moment speelt eveneens een belangrijke rol. De meeste kans maak je tijdens de ochtenduren of in de laatste uren van de dag. Henk en Wim kiezen het liefst voor de late avond. Zodra de zon zakt, de temperatuur daalt en de wind gaat liggen, worden de grote ruisvoorns vaak actief.

Ultralicht en oldskool materiaal

Henk en Wim vissen graag met ouder materiaal. Voor het vlokvissen gebruikt Henk ultralichte hengels van 1,8 tot 2,7 meter. Sommige exemplaren bouwde hij ooit zelf met zijn broer. Onder de hengels zitten klassieke molentjes van merken als Crack, Pelikaan en Luxor.

Wim vist eveneens graag met mooie oude spullen, al gebruikt hij tijdens deze sessie twee moderne ‘fabriekshengeltjes’. Het belangrijkste is dat de hengels licht en soepel zijn. Daarmee beleef je volop sport aan een grote ruisvoorn en heb je ook je handen vol aan bijvangsten als zeelt, brasem, winde of zelfs karper.

Meerdere hengels en verschillende dieptes

Henk en Wim vissen ieder met twee hengels. Eén hengel azen ze met stukjes worm en maden, terwijl aan de andere een grote broodvlok op een forse haak maat 4 of 6 zit.

“Met meerdere hengels kun je verschillende plekken op verschillende dieptes bevissen”, legt Henk uit. Hij vist met de ene hengel net boven de bodem en met de andere op half water. Zo zoekt hij eerst uit waar de ruisvoorn zich ophoudt. Zodra hij de juiste diepte heeft gevonden, kan het hard gaan.

Henk vist meestal met een ultralicht vlokhengeltje en een langzaam zinkende broodvlok of een grote tros maden. Staat er weinig wind, dan pakt hij soms een lichte vliegenhengel met een volgdobbertje en een broodkorst als aas.

Lok de ruisvoorn met kleine beetjes voer

Om de vissen naar de stek te lokken, voeren de mannen eerst enkele kleine balletjes. Hiervoor gebruiken ze een zelfgemaakte voornmix van hennep en brood, aangevuld met wat casters en een druppeltje boterzuur.

Daarnaast voeren ze losse maden en ballen van geweekt brood. Die broodballen wolken tijdens het afzinken flink en laten ondertussen kleine stukjes brood en broodkorst los.

Volgens Wim hoeft het niet ingewikkeld te zijn: week een paar boterhammen in water, pers het overtollige vocht eruit en maak er voerballen van. Voer regelmatig kleine beetjes om de ruisvoorn aan het azen te krijgen en te houden.

Heb daarbij geduld. Na het voeren kan het soms een half uur duren voordat de vissen op de stek verschijnen of terugkeren.

Zoek de randen van lelievelden op

Vissen vanuit een boot biedt duidelijke voordelen. Je bereikt er plekken mee die vanaf de kant nauwelijks toegankelijk zijn. De buitenzijde van een breed lelieveld is daar een goed voorbeeld van.

Probeer zo dicht mogelijk tegen de buitenste bladeren te vissen, bij voorkeur in een kleine inham. Grote ruisvoorns liggen waarschijnlijk een groot deel van de dag onder de bladeren. Zodra ze voedsel gaan zoeken, struinen ze de randen van het lelieveld af.

Toch zijn lelievelden niet de enige kansrijke plekken. Henk en Wim zoeken de vis ook op andere ondiepe delen van het water. Vaak staat daar niet meer dan anderhalve meter water. Zulke plekken zijn zowel vanuit de boot als vanaf de kant goed te bevissen.

Grote ruisvoorns van meer dan 40 centimeter

Ruisvoorns van meer dan 40 centimeter zijn voor Henk en Wim bepaald geen uitzondering. Tijdens eerdere sessies vingen ze tientallen exemplaren boven deze magische grens.

“Vissen op grote ‘ruisers’ begint met het kennen van de juiste plekken”, zegt Henk. “Ik prijs me gelukkig dat Wim een paar stekken heeft ontdekt waar echt grote ruisvoorns zwemmen.”

Het persoonlijke record van beide mannen ligt op 45 centimeter. Henk fotografeerde bovendien ooit een ruisvoorn op een oldskool meetplankje van 40 centimeter, waarbij de staart nog een flink stuk uitstak.

Ook in en rond Amsterdam zwemmen volgens de mannen genoeg van deze ‘goudklompen’. Vlak voor de paai zijn de vissen op hun mooist. Dan zijn ze goed gevuld en hebben ze hun kenmerkende goudgele kleur en vuurrode vinnen.

Vissen dicht bij de boot

Op ondiep water zetten Henk en Wim de boot vast met steekstokken. Daarmee kunnen ze heel precies op één plek blijven liggen. De dobbers hoeven vervolgens niet ver van de boot te liggen.

Grote ruisvoorns schrikken volgens Wim niet snel van de boot of van de stalen steekstokken die in de bodem worden gedrukt. Mochten de vissen toch even worden verstoord, dan keren ze meestal vanzelf terug. Heb je ze eenmaal aan het azen, dan kun je er vaak meerdere achter elkaar vangen.

Windstil weer is ideaal

Voor het vlokvissen heeft windstil weer de voorkeur. Zonder wind zie je iedere beweging van de dobber. Ook andere signalen vallen dan beter op, zoals een plompenblad dat omhoog wordt geduwd of kringen van actieve ruisvoorns aan het wateroppervlak.

De windrichting maakt minder uit. Komt de wind van voren, dan gebruiken Henk en Wim een dobber met iets meer drijfvermogen. Daarmee kunnen ze de gewenste afstand makkelijker bereiken. Vaak is er op het water echter wel een beschutte plek te vinden.

Ook kans op zeelt en andere bijvangsten

Bij een groot lelieveld gokken de mannen soms bewust op twee paarden. Met de ene hengel vissen ze op half water op ruisvoorn. De andere hengel richten ze op zeelt.

Voor de zeelt bieden ze twee wormen en een korrel mais op de bodem aan. Behalve zeelt verschijnen ook winde, brasem en soms een karper als bijvangst. Aan de ultralichte, soepele hengels levert dat stevige sport op.

Eenvoudige vlokdobbers en sterke haken

Henk en Wim gebruiken eenvoudige, zelfgemaakte vlokdobbers van balsahout. Deze hebben een drijfvermogen van één tot drie gram. Soms kiezen ze voor een luxere ‘Griffin’-dobber van dobbermaker Arie Griffioen.

Als haak gebruiken ze bij voorkeur een Gamakatsu LS-2210S. Dit is een dunne, maar sterke haak met een grote haakbocht. De maten 4 en 6 zijn ideaal voor een flinke broodvlok.

De mannen vissen altijd met nylon. Op open water gebruiken ze zelden een lijn dunner dan 14/00 millimeter. Dicht bij lelievelden kiezen ze minimaal voor 16/00 millimeter. Dat is nodig, want grote ruisvoorns kunnen verrassend sterke krachtpatsers zijn.

Het gouden uurtje

Het laatste uur voor zonsondergang is vaak het beslissende moment. Zodra de wind gaat liggen en de zon langzaam achter de horizon verdwijnt, worden grote ruisvoorns actiever. Dan neemt de kans op een felbegeerde vis van 40 centimeter of meer snel toe.

Tijdens de gevolgde sessie blijven de echte ‘bakstenen’ helaas uit. Henk en Wim vangen wel verschillende kleinere ruisvoorns, grondels en een fraaie kolblei. Zelfs tijdens het gouden uurtje levert een laatste poging bij een groot lelieveld geen aanbeet meer op.

Dat hoort ook bij het gespecialiseerde vissen op kapitale ruisvoorn. Je kunt de juiste stek, techniek en materialen gebruiken, maar een topvis laat zich nooit afdwingen.

Tips voor grote ruisvoorn